Lees het dagboek van Gert Jan Beute
Dagboek zaterdag 8 augustus 2026
8-8-2026
Hoofdstuk 9– Een ramp die je een avond van tevoren kon zien aankomen
Soms hoor je na een moeizaam verlopen jonge-duivenvlucht zeggen: 'Dat had niemand kunnen voorzien.' Ik geloof dat niet. Je kunt nooit exact voorspellen hoeveel jonge duiven verloren zullen gaan, maar je kunt wél herkennen wanneer de omstandigheden gevaarlijk worden. De vlucht vanuit Weert op 19 juli 2025 is daarvan een goed voorbeeld.
Al op de avond vóór de vlucht schreef ik dat ik een zeer moeilijk verloop verwachtte. Niet omdat er slecht weer op komst was. Integendeel. Er werd zonnig weer voorspeld, een zwakke tot matige oost-zuidoostenwind en een aangename temperatuur bij de lossing. Juist die combinatie baarde mij zorgen.
Veel liefhebbers kijken vooral naar het weer op de losplaats. Ik kijk liever naar de hele vlieglijn én naar wat de omstandigheden onderweg doen met onervaren jonge duiven. Bij de lossing was het nog relatief koel, maar ieder kwartier werd het warmer. De zon kreeg steeds meer kracht, de thermiek kwam op gang en de oost-zuidoostenwind bleef de duiven geleidelijk naar het noordwesten drukken.
Weert ligt voor een vlucht naar Friesland relatief zuidelijk. Daardoor hebben jonge duiven die met een oost-zuidoostenwind afdrijven alle ruimte om steeds verder richting Noord-Holland te komen. Naar mijn overtuiging speelde juist die ligging van de losplaats een belangrijke rol. Was de losplaats ongeveer vijftig kilometer oostelijker geweest, of was de vlucht korter geweest, dan was het verloop mogelijk heel anders geweest. En erg belangrijk het was pas de tweede vlucht of soms zelfs de eerste voor de jonge duiven(2025).
Wanneer jonge duiven eenmaal ten westen van de ideale vlieglijn terechtkomen, ontstaat een nieuw probleem. Om Friesland, de kop van Overijsel, Drenthe te bereiken zouden zij normaal gesproken onder het IJsselmeer en Markermeer via de Flevopolder door moeten trekken. Veel jonge duiven doen dat echter niet. Zij blijven de gunstige wind volgen en worden steeds verder Noord-Holland in gedrukt.
Rond Den Oever worden zij geconfronteerd met een natuurlijke barrière: water. Sommige duiven keren terug om alsnog de route via de polder te zoeken. Andere kiezen mogelijk voor de Afsluitdijk en moeten vanaf Harlingen alsnog tegen de oost-zuidoostenwind terug richting Friesland vliegen. Voor jonge, vermoeide duiven is dat een enorme extra belasting. Wat er vervolgens met iedere afzonderlijke duif gebeurt weten we niet, maar het is aannemelijk dat juist onder zulke omstandigheden veel jonge duiven uitgeput raken of de weg naar huis niet meer weten te hervatten.
Ook de uitslag laat zien dat het geen normale vlucht was. De eerste duif ( In p.v. de Vredesduif) behaalde ruim 1264 meter per minuut. Daarna zakten de snelheden snel naar ongeveer 1100 meter per minuut, vervolgens onder de 1000, later naar 700 en uiteindelijk zelfs tot ongeveer 500 meter per minuut. Voor een vlucht van slechts 182 kilometer is dat een uitzonderlijk groot verval. Dat wijst erop dat een deel van de jonge duiven de juiste vlieglijn snel vond, terwijl een groot deel onderweg veel tijd verloor.
Een week later waren in de afdeling nog altijd veel jonge duiven vermist. Gelukkig verliep het op ons eigen hok anders. Wij hadden na een paar dagen vrijwel alle jonge duiven weer thuis. Ik schrijf dat niet om te zeggen dat onze methode feilloos is, maar wel omdat ik geloof dat een grondige voorbereiding verschil kan maken. Jonge duiven die de reismand kennen, hebben leren drinken, gewend zijn aan vervoer en stap voor stap zijn opgeleid, beginnen met meer vertrouwen aan een moeilijke vlucht. Onze duiven hadden heel veel ervaring met alleen naar huis komen
Misschien is dat wel de belangrijkste les van deze vlucht. Goede voorbereiding voorkomt niet ieder verlies. Maar zij kan wel het verschil maken tussen een moeilijke vlucht en een ramp.
Terug