Lees het dagboek van Gert Jan Beute

Dagboek maandag 8 juni 2026

8-6-2026

DEEL 2

Toen ik het hele verhaal op een rijtje had gezet, de verschillen in prestaties bekeken tussen het voorjaar en hoog zomer, de verschillen toen de ramen nog allemaal dubbel(met plexiglas) waren, toen we tot het jaar 1998 alleen met doffers speelden, toen er nog gewoon 24 broedbakken in het hok hingen in plaats van de nu 30 bakken. Verder dacht ik na over de tijd dat de voorzijde nog rabat-planken had met hier en daar een gat door rotting en de beplating die er tegen aan kwam en het dus geheel luchtdicht maakte. Gewoon alles op een rijtje zette en dacht plots aan het moderne AI , de almachtige computer die alles weet, ik dacht als ik nu alles wat ik weet, wat Bennie vertelde, ons hele hok omschreef met afmetingen, aantallen duiven, hoe en welke dakpannen we hebben, maar ook over de beplating aan de voorzijde, gewoon alles wat ik kon vertellen stopte ik in ChatGPT pro. Hieronder de tekst waar de computer mee kwam, Hij begon over de CO2 waarden 680 ppm en 700 ppm:  Hier onder dus AI met antwoordt deel 1.

Is dat dan slecht: Waarden 680/700? Nee. Integendeel.

Wie begrijpt wat er werkelijk gemeten wordt, weet dat zo’n waarde onder die omstandigheden eerder laat zien dat de basis van het hok in orde is. Meer duiven betekent simpelweg meer ademhaling, dus meer CO2. Dat is geen ventilatieprobleem, maar een logisch gevolg van bezetting.
Toch kwam er advies. Rigoureus advies.
De nok openmaken, de ruiter eruit, een groot deel van het plafond verwijderen en dat vervangen door gaas. Kortom: het hok volledig “open trekken” zodat warmte en lucht maximaal weg kunnen.
Op papier klinkt dat logisch. Warme lucht stijgt immers en moet eruit. En zeker op warme dagen lijkt zo’n oplossing aantrekkelijk.
Maar daar zit precies de valkuil.
Want een goed duivenhok draait niet om zoveel mogelijk lucht, maar om de juiste luchtstroom. Controle. Stabiliteit.
In de moderne duivensport en zeker in de pluimveehouderij waar men nog veel verder is – is men allang afgestapt van het principe “hoe meer open, hoe beter”. Daar werkt men met gestuurde ventilatie. Lucht moet binnenkomen waar jij het wilt en het hok verlaten zoals jij het bedoelt. Niet afhankelijk van wind of toeval.
Een hok dat voor 60% open ligt, geeft misschien veel lucht, maar vooral weinig controle.
En toen kwam de volgende stap in het verhaal: de zomer.
Het hok staat op het zuidoosten, met behoorlijk wat glas. Zodra de zon erop komt, loopt de temperatuur snel op. Bij 24 graden buiten, tikken we binnen zomaar de 30 aan.

Dat is geen ventilatieprobleem. Dat is zonbelasting.
Het hok werkt dan als een kas. De zon komt binnen, verwarmt alles en die warmte blijft hangen. Je kunt nog zoveel ventileren, maar als de bron van de warmte blijft bestaan, blijf je achter de feiten aanlopen.
En hier werd het interessant.
Want we zagen iets in de praktijk wat je niet kunt negeren: de duivinnen presteren in warme periodes duidelijk beter dan de doffers.
Eerst zou je kunnen denken: dat is een verschil in geslacht. Maar wie beter kijkt, ziet iets anders.
De doffers zitten in het deel waar de zon het eerst en het hardst binnenkomt. Veel glas, grotendeels enkel. Volle instraling. Hoge temperaturen.
De duivinnen zitten net anders. De zon komt daar later binnen, en bij een deel van de ramen zit plexiglas, waardoor de instraling wordt gedempt. En misschien nog belangrijker: bij warm weer krijgen zij toegang tot een volière. Geen verplichting, maar een keuze.
En dat maakt het verschil.
Daar waar de doffers in een opwarmend hok zitten, kunnen de duivinnen zelf kiezen: binnen of buiten, warmte of verkoeling. Dat is geen detail, dat is klimaatregie door de duif zelf.
En precies daar zit de kern.
Warmte heeft namelijk meer invloed dan veel liefhebbers denken. Bij hogere temperaturen gaan duiven sneller ademen, produceren ze meer CO2 en vocht, en wordt de zuurstofopname minder efficiënt. Het herstel vertraagt, de eetlust daalt en vermoeidheid stapelt zich op.
Dat zie je niet altijd direct, maar wel in de uitslag.
Dus ja, warmte beïnvloedt ook het CO2-gehalte. Niet alleen door ventilatie, maar vooral door wat de duif zelf moet doen om die warmte kwijt te raken.
En dan wordt ook duidelijk waarom de duivinnen beter presteren.
Niet omdat ze per definitie beter zijn. Maar omdat ze in een beter klimaat zitten.
Koeler. Stabieler. Meer luchtbeweging. En vooral: keuzevrijheid.
Als je de rollen omdraait, is de kans groot dat ook de prestaties omdraaien.
En daarmee komen we terug bij het begin.
Het probleem zat niet in een te hoog CO2- gehalte want tijdelijk het dubbele aantal duiven geeft hogere waarden.
Het probleem zat niet zo zeer in te weinig ventilatie.  
Het probleem zat in zon en temperatuur.
En dat los je niet op door je dak open te breken.
De echte oplossing zit aan de voorkant: zoninstraling beperken. Met eenvoudige middelen als krijt op het glas, zonwering of een overstek kun je meerdere graden winnen. En dat is vaak effectiever dan welke ventilatie-ingreep dan ook.
Daarna pas komt ventilatie. Regelbaar, beheerst, afgestemd op bezetting en omstandigheden, dus de schuiven verder open bij extreme warmte.
Want een goed hok is geen open schuur.  
Het is een gecontroleerde leefomgeving.
En misschien is dat wel de belangrijkste les uit dit verhaal:
Niet meer lucht maakt het verschil,  
maar betere lucht.

Terug