Lees het dagboek van Gert Jan Beute
Dagboek woensdag 1 april 2026
1-4-2026
Het beoordelen van late jonge duiven: schijn bedriegt
Onlangs gingen we bij een vriend langs om zijn zeventig duiven te beoordelen. Een mooie ploeg, maar wat meteen opviel: een groot deel bestond uit late jongen—duiven van september en oktober, die nu nog midden in hun ontwikkeling zitten. Slechts één of twee pennen gestoten, nauwelijks zon gezien, en fysiek nog verre van af.
En daar wringt precies de schoen.
Veel liefhebbers willen op dit moment al een oordeel vellen. Maar laten we eerlijk zijn: wat beoordeel je eigenlijk? Dit zijn geen afgewerkte duiven, dit zijn kinderen. Vergelijk het met een jongen van twaalf of dertien jaar—vol in de groei, slungelig, soms uit verhouding. Daar kun je toch ook geen definitieve conclusie over trekken?
Toch gebeurt dat in de duivensport maar al te vaak.
Late jongen, maar ook aangekochte jonge duiven voor de kweek, kunnen tijdens de rui een totaal ander beeld geven dan bij het spenen. Wat eerst een perfect gebouwd jong leek, kan enkele weken later ineens tegenvallen in de hand.
De spieren lijken weg, de rug voelt minder gesloten, en de stuit lijkt open te staan. De duif valt als het ware “uit elkaar”. Voor veel liefhebbers is dat hét moment van twijfel.
Maar in werkelijkheid zie je geen kwaliteit verdwijnen—je ziet een fase.
Een duif in de rui zit in een overgangsperiode. Net als een sporter die herstelt, is hij tijdelijk uit balans. Wie dan al gaat selecteren, beoordeelt niet de duif, maar het moment.
De juiste beoordeling komt pas ná de rui. Eind oktober, begin november—dán zie je wat een duif werkelijk in zich heeft. Dan valt alles weer op zijn plaats: de bouw klopt, de spieren komen terug, en de duif vormt weer één geheel.
Het “lelijke eendje” blijkt ineens een prachtige zwaan.
Maar zelfs dan moeten we verder kijken.
Een jonge duif die nog niet heeft gevlogen, mist spierontwikkeling. Dat merk je vooral aan de stuit. Die kan wat open aanvoelen, maar dat is geen echte bouwfout—het is simpelweg gebrek aan training.
Zodra een duif wél kan vliegen, verandert dat beeld. De spieren rondom de stuit ontwikkelen zich, sluiten alles mooi op en geven stevigheid. De duif voelt dan compact, krachtig en in balans.
Dat verschil voel je direct in de hand.
Een duif die de rui doormaakt in een klein hok zonder bewegingsruimte, zal zich nooit optimaal ontwikkelen. Zet daar een duif tegenover die dagelijks kan vliegen of in een ruime volière zit, en je voelt het verschil meteen.
Beweging maakt spieren. Training maakt duiven.
Daarom moet je bij het beoordelen altijd kijken naar de omstandigheden waarin een duif is opgegroeid. Een mindere indruk kan simpelweg het gevolg zijn van beperkte kansen—niet van gebrek aan kwaliteit.
Late jonge duiven beoordelen is misschien wel het moeilijkste wat er is. Juist omdat ze nog niet “af” zijn. Wie te vroeg oordeelt, mist vaak de beste duiven.
Een slappe rug, een open stuit of een duif die niet in balans lijkt—het zijn vaak tijdelijke signalen, geen definitieve kenmerken.
De echte kwaliteit zie je pas wanneer groei, rui en training samenkomen.
De beste duiven zijn zelden degenen die op jonge leeftijd al perfect ogen. Het zijn de duiven die zich ontwikkelen, die sterker worden, en uiteindelijk moeiteloos presteren.
Geef ze dus de tijd.
Want achter dat ogenschijnlijk gewone jong kan zomaar je volgende kampioen schuilgaan.
Terug