Lees het dagboek van Gert Jan Beute

Dagboek vrijdag 6 maart 2026

6-3-2026

Kweken uit vliegers? Juist wel!

 

In de duivensport bestaat een merkwaardige gewoonte.

Veel liefhebbers hebben een kweekhok vol duiven die zelf nog nooit een vlucht hebben gevlogen. Onbevlogen duiven dus. Vaak aangekocht via internet of op een verkoop: een broer van topper X, een kleinkind van een broer van topper Y, met een indrukwekkende stamboom erbij.

Op papier ziet het er fantastisch uit.

Maar er blijft één simpele vraag:

Zouden deze duiven zelf ooit thuis gekomen zijn van een vlucht?

Dat weet niemand.

En toch wordt er soms ronde na ronde uit gekweekt.

Tegelijk gebeurt er iets anders op het vlieghok. Daar zitten duiven die als jong zijn gespeeld. Duiven die de mand kennen. Duiven die selectie hebben overleefd. Duiven die bewezen hebben dat ze hun weg naar huis kunnen vinden.

Maar juist uit die duiven wordt vaak niet gekweekt.

De reden die je dan hoort is: “Die moeten zich eerst nog bewijzen.”

Maar dat is toch een vreemde redenering.

Want die duiven hebben zich al bewezen. Ze zijn door de selectie gekomen. Ze hebben laten zien dat ze kunnen thuiskomen. En je hebt blijkbaar vertrouwen in ze, anders zaten ze allang niet meer op het hok.

Aan de andere kant kweken sommige liefhebbers zonder aarzelen uit duiven die nog nooit een kilometer hebben gevlogen.

Dat is eigenlijk de wereld op zijn kop.

De legendarische kampioen Jos van Limpt, beter bekend als “De Klak” uit Reusel, zei ooit iets dat precies de kern raakt:

“Als je jonge duiven na de vluchten aanhoudt, heb je er vertrouwen in. Dan moet je er ook uit kweken. Wil je er geen jongen uit, dan heb je blijkbaar geen vertrouwen en moeten ze weg.”

Simpeler kan het eigenlijk niet.

Interessant is dat ook wetenschappelijk onderzoek een beetje in dezelfde richting wijst. Moderne genetische studies tonen namelijk aan dat de oriëntatie en het vermogen om naar huis te navigeren samenhangen met specifieke hersenstructuren en genetische eigenschappen, vooral in het deel van de hersenen dat verantwoordelijk is voor ruimtelijk geheugen en navigatie.

Met andere woorden: het vermogen om naar huis te komen is geen toeval. Het is een complex samenspel van erfelijke aanleg, hersencapaciteit en selectie.

En selectie is precies waar de duivensport altijd om heeft gedraaid.

Liefhebbers die hun resultaten echt bijhouden zien bovendien vaak hetzelfde verschijnsel:

uit bevlogen ouders blijven na het seizoen duidelijk meer jonge duiven over dan uit onbevlogen ouders.

En het wordt nog duidelijker wanneer ook de grootouders nooit gevlogen hebben. Dan daalt het percentage overblijvers vaak nog verder.

Dat is ook logisch.

Duiven die nooit getest zijn op de vluchten hebben simpelweg nooit hoeven bewijzen dat ze het belangrijkste bezit van een postduif hebben:

het vermogen om thuis te komen.

Eigenlijk weten de meeste liefhebbers dit wel.

En toch blijven er mensen die liever kweken uit mooie stambomen dan uit bewezen vliegers.

Dat blijft toch een merkwaardig verschijnsel in een sport die juist draait om één simpele vraag:

 

Wie komt er thuis?

 

Terug